Hoe beïnvloedt nieuwe getijdenatuur de visstand?

17 december 2025

Wat gebeurt er met de vissen in de zuidwestelijke delta als we meer getijdenatuur creëren? Dat brengt een team onderzoekers van NL2120 in beeld bij de Nieuwe Maas in Rotterdam en het Wantij bij Dordrecht. Zo meten we de effecten van Nature-based Solutions op de visstand.

Wat gebeurt er met de vissen in de zuidwestelijke delta als we meer getijdenatuur creëren? Dat brengt een team onderzoekers van NL2120 in beeld bij de Nieuwe Maas in Rotterdam en het Wantij bij Dordrecht. Zo meten we de effecten van Nature-based Solutions op de visstand.

De grote wateren in de Zuidwestelijke delta vormen een belangrijke verbinding tussen de zoute Noordzee en de grote rivieren de Rijn en de Maas. Van nature worden deze gebieden beïnvloed door schommelingen in rivierafvoeren en getijdenwerking. Deze overgangsgebieden zijn van groot belang voor verschillende vissoorten. Trekvissen maken gebruik van deze zones, sommige marine vissoorten komen op de zoete stroom af om op te kunnen groeien en estuaria zijn belangrijke kraam- en kinderkamers voor veel soorten vissen.

Onder druk

Deze leefgebieden staan echter sterk onder druk. Door de aanleg van de Deltawerken is de natuurlijke dynamiek van de Zuid-Hollandse delta grotendeels verdwenen. Ook zijn rivieren rechtgetrokken en natuurlijke oevers verhard. Dit heeft ervoor gezorgd dat de luwe, ondiepe plekken in de delta grotendeels zijn verdwenen. Als onderdeel van NL2120 worden in Rotterdam en de Drechtsteden op verschillende plekken getijdennatuur teruggebracht, met als doel om de biodiversiteit in het water te versterken.

Nulmeting

In 2025 is RAVON namens SoortenNL gestart met een nul-meting van de visstand in de Nieuwe Maas en het Wantij. Met verschillende methoden wordt de soortensamenstelling, diversiteit, dichtheid en biomassa van vissen gemeten. Daarnaast liggen er onderzoekslocaties verder stroomafwaarts in het Scheur, deze plekken worden sterk beïnvloed door rivierafvoer en getij.
Met de Broedzegen worden voornamelijk juveniele vissen in ondiepe wateren bemonsterd, hiermee brengt het team onderzoekers de kraamkamerfunctie van een gebied in kaart. Met Elektrovisserij worden gebieden bemonsterd waar veel structuur in het water aanwezig is, zoals basaltblokken en oevers met takken en harde plantenstructuren. Doordat vissen tijdelijk worden verdoofd, is deze methode zeer geschikt om vissen die leven tussen bijvoorbeeld stenen en hout te inventariseren. Met fuiken verkrijgen de onderzoekers een beeld van migrerende vissen en vissen die vooral ’s nachts actief zijn. Tenslotte meten zij aspecten van de habitat, zoals stroming, zuurstofgehalte, bodemstructuur, plantbedekking en zoutwaarde, die van invloed zijn op de resultaten.

Gedurende de looptijd van NL2120 worden deze metingen jaarlijks herhaald, om zo, na de inrichting van de nieuwe getijdenatuur, een goed beeld te krijgen van de effecten op de biodiversiteit onderwater.