Hoe EU-beleid Nature-based Solutions in Nederland kan versnellen

19 juni 2026

Een nieuw NL2120-rapport laat zien dat het EU-wettelijke landschap volop ruimte biedt voor Nature-based Solutions. De vraag is of Nederland klaar is om die ruimte te zien.

“Nederland beschouwt EU-wetgeving volgens mij vaak als iets waartegen je je moet verdedigen,” zegt Claire McCamphill van Wetlands International Europe, “in plaats van het te zien als een kans om dingen te doen die het land sowieso al wil. Een gangbare reactie wanneer een Nederlands ministerie een brief uit Brussel ontvangt over een nieuwe richtlijn over rapportageverplichting is: zet je schrap voor de klap.”

Beeld: Binne-Louw Katsma

McCamphill is hoofdauteur van EU Policies as opportunities for upscaling Nature-based Solutions, een rapport dat onlangs is gepubliceerd onder het NL2120-programma. Samen met Antoinette Sprenger van IUCN NL voert ze een zorgvuldig en pragmatisch betoog: Nederland is al meerdere keren wettelijk verplicht om resultaten te leveren waar Nature-based Solutions (NbS) bij kunnen helpen. Drainage, dijken en baggerwerk brengen het land niet waar de Europese wetgeving voor 2030 eist dat het moet zijn. Werken aan het herstel van water, bodem en ecosystemen wel.

In een recent interview liepen McCamphill en Sprenger door wat ze hebben gevonden, wat de voortgang belemmert, en waar de volgende kansen liggen.

Een langlopend probleem

Drie decennia lang heeft Nederland een kluwen van verplichtingen onder EU-wetgeving opgebouwd: de Kaderrichtlijn Water, de Richtlijn Overstromingsrisico’s, de Vogel- en Habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie, het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, en meer recent de Europese Klimaatwet en de Natuurherstelverordening. Elk vereist nationale plannen, meetbare resultaten en periodieke rapportage aan de Europese Commissie.

In beleidstermen heeft het land deze verplichtingen consequent behandeld als kosten die geminimaliseerd moeten worden. Stroomgebiedbeheerplannen richten zich op het oplossen van problemen aan het einde van de keten. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid ondersteunt nog grotendeels drainage en op irrigatie gebaseerde landbouw, meer dan waterretentie. Het stikstofbeleid heeft de afgelopen jaren van crisis naar crisis bewogen. De eigen uitvoeringsrapporten van de Commissie merken herhaaldelijk op dat Nederland de doelen van de Kaderrichtlijn Water niet haalt, dat beschermde habitats in slechte staat verkeren, en dat de voortgang op de Richtlijn Overstromingsrisico’s is gestagneerd in gebieden buiten de grote rivieren.

Tegelijkertijd verschuiven de onderliggende omstandigheden. Heviger wateroverlast, langere droogtes, verzilting van de bodem, afnemende biodiversiteit, en een stikstofuitspraak die veel planologische besluiten onwettig heeft gemaakt. Het infrastructuur-eerst-model loopt tegen ecologische, financiële en juridische grenzen aan, allemaal gelijktijdig.

 

Wat het rapport beoogt

Het rapport heeft een bewust praktisch doel. McCamphill, die elf jaar bij de Europese Commissie werkte met precies deze richtlijnen, bracht elk groot EU-plan (op het grensvlak van land en water) in kaart dat Nederland de komende drie jaar moet aannemen of herzien. Voor elk plan identificeerde ze waar het land achterblijft bij zijn wettelijke verplichtingen, en waar NbS die kloof aannemelijk kunnen dichten.

Zes beleidsmomenten springen eruit: het Nationaal Herstelplan, verwacht in 2026; de volgende plannen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, die eind 2027 moeten worden vastgesteld (als onderdeel van de nieuw voorgestelde structuur van Nationale en Regionale Partnerschapsplannen); de Stroomgebiedbeheerplannen en Overstromingsrisicobeheerplannen in 2028; de herziene Drinkwaterrichtlijn; de bijgewerkte Mariene Strategie; en het Nationaal Energie- en Klimaatplan voor landgebruik. Elk plan heeft een eigen planningscyclus, een verantwoordelijk ministerie, en een concreet moment waarop ambtenaren open zouden moeten staan voor bewijs en ideeën.

“Er staat nergens in de bestaande wetgeving dat je NbS móet gebruiken,” legt McCamphill uit. “Maar er zijn wel mogelijkheden in de manier waarop deze wetgeving geïnterpreteerd kan worden om NbS echt te mainstreamen. Het opstellen van deze plannen is het moment waarop dat gebeurt.”

Het rapport combineert deze Nederlandse analyse met zeven casestudies uit de rest van Europa: het Deense tripartiete akkoord over landbouw, dat als blauwdruk kan dienen voor Nederland om uit zijn aanhoudende stikstof- en natuurcrises te komen; het Duitse Blue Belt-programma voor waterwegen, dat goede praktijken laat zien voor intergouvernementele samenwerking op scheepvaartvraagstukken; de Schotse wet die overheden verplicht om eerst natuurlijke overstromingsbeheersing te overwegen; het Kopenhaagse cloudburst-plan voor stedelijke NbS; en de Britse Biodiversity Net Gain-regeling, die natuurherstel tot een verplicht onderdeel van de ruimtelijke planningswetgeving maakt. Deze best practices zijn geselecteerd op hun relevantie voor de Nederlandse context en bieden ideeën voor hoe NbS verder gebracht kunnen worden.

Beeld: Herman Agricola

Wat de voortgang belemmert

Beide auteurs zijn onomwonden over de obstakels. Eén belangrijk obstakel is de governance op samenhangende vraagstukken: NbS raken meerdere domeinen, maar besluitvorming is verdeeld over ministeries. “Elk ministerie neemt besluiten binnen zijn eigen domein, ondanks het feit dat de vraagstukken onderling onlosmakelijk verbonden zijn,” zegt McCamphill. NbS bieden antwoorden op veel uitdagingen, maar alleen als bijvoorbeeld de watersector enige mogelijkheid heeft om waterretentiemaatregelen opgenomen en gefinancierd te krijgen in de landbouwsector (bijvoorbeeld via de plannen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid). Een verbindende landschapsvisie voor Nederland, die vervolgens door de betrokken ministeries kan worden uitgewerkt binnen alle verschillende plannen op het gebied van water, landbouw en natuur, zou van grote waarde kunnen zijn. Denemarken kan hierbij als inspiratiebron dienen.

Het tweede obstakel is politiek. Sprenger wijst op de wisselende Nederlandse kabinetten, het schrappen van het boerenuitkoopfonds onder politieke druk, en de financiële kwetsbaarheid van veel boeren door leningen die gekoppeld zijn aan intensieve productiemodellen. “Er moet politieke wil zijn, zoals Claire al zei, om de realiteit onder ogen te zien en niet te komen met kortetermijnoplossingen,” zegt ze. “Het zou nuttig kunnen zijn om in gesprek te gaan met de architecten van het tripartiete akkoord in Denemarken, om te begrijpen hoe dit tot stand is gekomen en welke lessen toepasbaar zijn op de Nederlandse context.”

Het derde obstakel ligt op EU-niveau. McCamphill is daar open over: “Er is in deze Commissie veel minder bereidheid om lidstaten te verplichten iets te doen wat ze niet willen.” De agenda rond concurrentiekracht en defensie heeft milieu en klimaat verder naar achteren op de politieke agenda geduwd. Het volgende EU-budget – het voorgestelde Meerjarig Financieel Kader – schrapt bijvoorbeeld geoormerkte financiering voor agromilieumaatregelen, en laat de toewijzing over aan individuele lidstaten. Landen die een groot budget willen vrijmaken voor NbS binnen de landbouwplannen kunnen dat doen; landen die dat niet als prioriteit zien, hoeven dat niet te doen. Het is onduidelijk waar de huidige Nederlandse regering op dit punt staat, maar de conceptplannen voor natuurherstel zijn opvallend stil over budget.

Het vierde obstakel is moeilijker te meten, maar telt zwaar: er is nog te weinig gekwantificeerd, overdraagbaar bewijs waarmee een minister van Financiën of een raad van bestuur een concreet getal kan plakken op wat NbS opleveren. Data op locatieniveau bestaat wel; de economische onderbouwing op portfolioniveau is nog dun.

Een visie die het verdedigen waard is

Voor McCamphill en Sprenger loopt de weg vooruit via verschillende praktische stappen. Beïnvloed het Nationaal Herstelplan en het Nationaal Water Programma nu, terwijl ze nog worden opgesteld. Dring aan op gekwantificeerde waterretentie- of “spons”-doelen in de nieuwe EU-klimaatadaptatiewetgeving, die eind 2026 wordt verwacht. Gebruik de plannen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid om boeren daadwerkelijk te betalen om water in het land vast te houden, in plaats van het af te voeren.

Ze zien ook een andere framing als essentieel. NbS moeten niet worden gepresenteerd als een groen extraatje, maar als kritieke infrastructuur waarmee gepland moet worden. Het onderbouwt economische weerbaarheid en beperkt toenemende klimaatrisico’s. “Als je overstromings- en droogte-effecten kunt aanpakken door preventieve maatregelen in plaats van de gevolgen achteraf te bestrijden,” zegt McCamphill, “wordt dat misschien een argument dat politici wél willen horen, gericht op concurrentiekracht.”

Sprenger voegt nog een element toe: het “Dutch Diamond”-model, waarin overheid, bedrijfsleven, wetenschap en maatschappelijk middenveld dezelfde agenda trekken. Geen enkele partij kan deze transitie alleen tot stand brengen, en de ervaring met het Deense tripartiete akkoord – een deal tussen overheid, boeren en milieuorganisaties die een kabinetswissel heeft overleefd – laat zien hoe dat er in de praktijk uitziet.

De recente oproep van de Commissie om bewijsmateriaal te verzamelen over klimaatweerbaarheid concludeerde dat NbS Europa’s “eerste verdedigingslinie” zouden moeten zijn. De uitdaging, merkt McCamphill op, is om ervoor te zorgen dat die conclusie de reis overleeft van een rapport naar bindende wetgeving, en vandaar naar de volgende planningscyclus van een Nederlands ministerie. Precies die reis is waarvoor dit rapport is bedoeld om te helpen.

Meer weten?

Download hier het rapport